Café De Duivel mag weer open

Foto: krazydad / jbum

Het hoofdstedelijke café De Duivel mag weer open. De kroeg in Amsterdam was in december vorig jaar nog een crime-scene nadat een caféganger om zich heen schoot. Nieuwe Revu was in de persoon van Marjolijn Ruygrok aanwezig bij de schietpartij. Zij schreef een onthutsend ooggetuigenverslag

De gemeente besloot vervolgens om het café te sluiten. De Duivel moest eerst maar eens zorgen dat er veiligheidsmaatregelen werden getroffen. De eigenaar van de hiphopkroeg gaf al snel aan dat zijn portemonnee die maatregelen niet kon bekostigen.

Nu mag het café wat de gemeente betreft dus weer open. Of De Duivel maandag as. daadwerkelijk haar deuren opnieuw opent is nog niet bekend.

Het volledige ooggetuigenverslag van Marjolijn is zijn totaliteit te lezen op de website van Nieuwe Revu.

‘Hij richt zijn pistool op mij’

Komt een verslaggever in het café

door Marjolijn Ruygrok

De politie maakt zich er zorgen over dat steeds meer mensen uitgaan met een pistool op zak. Nieuwe Revu-verslaggeefster Marjolijn Ruygrok stond op 16 december pal boven op een schietpartij in een Amsterdams café, waarbij een zwaargewonde viel. De hel in De Duivel.

Als een van de laatsten sla ik de smalle klapdeurtjes van ­hiphopcafé De Duivel open en sta ik midden op de ­donkere Reguliersdwarsstraat. Mijn benen voelen als lood en er gaat een golf van rust door me heen. Een handjevol mensen staat nog voor het café, maar het lijkt erop dat de meesten het hazenpad al hebben gekozen.

Ik kijk om me heen en achter me staat de portier. Auto­matisch denk ik: het is voorbij. Ik ben veilig. In de verte hoor ik mijn naam roepen. Het is de vriendin met wie ik even daarvoor nog gezellig wijntjes achterover zat te tikken in het café. Ze rent op me af en we omhelzen elkaar. Een paar seconden blijven we zo staan, tot er ‘iets’ met een doffe klap op de grond valt. In eerste instantie denk ik aan een telefoon en duw de vriendin een stukje van me af om te kijken. Daar, ongeveer een halve meter bij onze voeten vandaan, ligt het pistool. Eenzaam, zonder baasje.

Het duurt even voor het volledig tot me doordringt. Het wapen, met een loop van zo’n 25 centimeter, ligt voor mijn neus. Moet ik het laten liggen zodat het weer in verkeerde handen terecht kan komen? Of pak ik het op, zodat het schieten eindelijk voorbij is? In een vlaag van verstandsverbijstering besluit ik tot dat laatste en poog te hurken. Te laat. Wat ik nu juist had willen voorkomen, wordt werkelijkheid: de man die enkele minuten daarvoor angst en hysterie heeft veroorzaakt door om zich heen te schieten in een volle Duivel, is herenigd met zijn wapen. Zijn blik en pistool op mij gericht.

 

Lege, kille blik

Daar sta ik dan. 23 lentes jong, nooit in aanraking geweest met justitie. De­ over­tredingen die ik heb begaan, gaan niet verder dan het incidenteel breken van een hart en het zakkenvullen op de snoepafdeling van de Konmar. En nu word ik onder schot gehouden. De schutter heeft een lege, kille blik in zijn ogen en houdt het geladen pistool met gestrekte arm voor zich uit. Geen angst, geen bezieling, geen ­onzekerheid. Eigenlijk precies het tegenovergestelde van wat er door mijn lijf giert. Maar mijn leven flitst niet aan me voorbij, zoals mensen met een bijna-doodervaring dat altijd zo mooi weten te vertellen.

Het enige wat ik voor me zie, is de situatie van dit moment. Ik kijk naar de man. Na een seconde of 3, die aanvoelen als een eeuwigheid, richt hij het wapen en zijn aandacht op iemand anders. Pas nu is mij duidelijk waar de uitdrukking ‘rennen voor je leven’ vandaan komt, want dat is wat ik nu doe. Nu ben ik al geen groot fan van welke sport dan ook, maar een sprintje trekken met de gedachte dat er elk ­moment op je geschoten kan worden, voelt erger dan honderd sit-ups met een hernia.
De angst in mijn lijf wordt groter en als een kip zonder kop ren ik in een lijn die verre van recht is richting de doorgaande weg en sla de hoek om. Daar staat ook mijn vriendin.

 

Zijn duim! Zijn duim!

Terwijl ik haar weer wil omhelzen, wordt mijn aandacht getrokken door een man op de hoek van de straat. Een groep mensen staat over hem heen gebogen en hij houdt zijn duim omhoog. Of beter gezegd, wat daar nog van over is. Een steeds grotere plas bloed vormt zich op de straattegels. Ik barst in tranen uit en roep hysterisch ‘Zijn duim! Zijn duim!’ Ook al ben ik over het algemeen de eerste die ziekenhuisprogramma’s afzet, ik kan nu niet stoppen met kijken. Had ik dat achteraf gezien toch maar gedaan. Na iets langer observeren, blijkt niet alleen dat zijn duim het had moeten ontgelden, maar ook zijn borst en been. Mijn zicht wordt nu steeds troebeler en naast zijn bloed, liggen nu ook mijn tranen op de grond.

Dat iedereen in een staat van shock anders reageert, blijkt wanneer ik mijn vriendin hoor kraaien: ‘Godverdomme, mijn jas ligt nog binnen!’ Met rillingen door het hele lichaam en schokkende schouders die ik niet onder controle kan krijgen, loop ik terug naar het café om haar jas te zoeken. Stom natuurlijk, want de schutter zou ook nog in de buurt kunnen zijn. Ik zie hem niet. Wel heeft hij, in de korte tijd dat ik om de hoek stond, nog een ‘afscheidscadeautje’ achtergelaten. Voor het portiek van De Duivel zit een drietal mensen gehurkt bij een man die op de grond ligt.
Zijn gezicht zit onder het bloed en hij lijkt buiten bewustzijn. Zijn dreads liggen over de straattegels gedrapeerd en op de een of andere manier ligt hij er vredig bij.
Hij zou toch niet… Ik wíl het niet weten. Jezus, ik wil hier ook helemaal niet zijn. Ik loop langs de man terug het café in om de jas te zoeken zodat ik hier eindelijk weg kan.

 

Haal ze uit elkaar!

Ik sta weer binnen in het café waar ik eerder op de avond nog luidkeels Bumaye van de Zwollenaar Typhoon heb meegerapt en waar ik ongeveer een uur geleden nog heb verkondigd dat ik de sfeer hier altijd zo goed vind. Wat een contrast: was De Duivel een half uur geleden nog gezellig druk, nu is het er eng stil en verlaten. Een paar krukken zijn omgevallen en her en der ligt een verkreukelde jas op de grond. Ik loop naar de plek waar we zaten om de jas te pakken en opeens speelt de avond zich opnieuw af in mijn hoofd.

Hoe heeft een opstootje tussen aanvankelijk twee mannen kunnen uitmonden in een schietpartij? Want dat is hoe het begon, met een matpartij achter in het café. Maar zoals dat meestal het geval is bij een opstootje, gaan omstanders zich ermee bemoeien. Binnen no time een man of tien met elkaar op de vuist. ‘Haal ze uit elkaar!’ hoor ik mezelf weer roepen en uit het niets zie ik de man weer voor me die achterin boven op de trap een pistool trekt. De man wekt een geïrriteerde indruk, alsof hij met dit gebaar duidelijk wil maken dat hij klaar is met het gedonder. Hij ziet er niet uit als iemand die vaker in dit café komt.

De hel in De Duivel lijkt letterlijk te zijn losgebarsten en iedereen duikt bij de man weg. Hij lost een schot. Complete hysterie breekt uit en in een golfbeweging rent iedereen naar de uitgang van het café. Mensen stormen langs me heen, maar ik blijf vol ongeloof staan. Iets in me zegt dat ik moet blijven kijken, omdat je dit niet dagelijks meemaakt. Ik ben een ramptoerist die niet beseft dat ze zelf ook geraakt kan worden.

Een tweede schot wordt gelost, niet ver bij mij vandaan. Nu zijn er nog weinig mensen in het café en dringt het tot me door dat het toch echt menens is.

Rustig pak ik mijn eigen jas en rugzak op en loop naar de uitgang. Waarom zal ik rennen als er nog een rij voor de uitgang staat? Ik kijk nog een keer achterom en zie de portier op de trap staan, die inpraat op de schutter. Het enige wat ik denk, is: en dat zonder kogelvrij vest, dapper. Waarna ik de klapdeurtjes opensla en denk dat alles voorbij zou zijn…

 

In het bloed

Doordat deze film zich telkens weer afspeelt in mijn hoofd, ben ik maar half op zoek naar de jas van mijn vriendin. Ik kan hem niet vinden en loop terug naar buiten, waar zich politie in alle soorten en maten heeft verzameld. ME-busjes, ­politiewagens, ­politie te paard, en ambulancepersoneel. Een politieagent klampt me aan en stelt ­enkele vragen die ik hyperventilerend beantwoord terwijl ik zie hoe de slacht­offers in de ambulance worden getild. Ik moet blijven totdat duidelijk is dat verdere ­medewerking die nacht niet meer nodig is.

Na enige tijd in een nabijgelegen café te zijn opgevangen, is het wat mij betreft genoeg en wil ik weg. Ik loop naar buiten en word wederom staande gehouden door agenten die vragen stellen. Nu kijk ik naar de grond en merk op dat we midden in het bloed van een van de slachtoffers staan. ‘Jezus, kunnen jullie dit niet opvegen? Of zet er voor mijn part een lint omheen. We staan in bloed!’ Ik ben er klaar mee en pak een taxi naar huis.

 

Met welke hand?

De volgende dag word ik gebeld: of ik een ­getuigenverklaring wil afleggen. In de hoop dat ik de gebeurtenis daarna zo snel mogelijk achter me kan laten, stem ik in. De een gaat op ­zondagmiddag naar Artis, de ander maakt een uitstapje naar het politiebureau. Verschil moet er zijn. Ik word ruim twee uur ondervraagd. ‘Wat was de afkomst van de schutter?’  ‘Met welke hand had hij zijn pistool vast?’  ‘Droeg hij handschoenen?’

Zo volledig mogelijk geef ik antwoord op alle vragen, tot ik merk dat het vraaggesprek een bepaalde richting opgaat.

De rechercheur haalt haar handen van het toetsenbord en vraagt ‘Wat voor mensen komen er doorgaans in De Duivel? Ah, mensen die van hiphop houden? Kun je een paar bekende Amsterdamse rappers noemen?’ Ik snap niet waarom ze dit vraagt en vraag haar waarom ze dit wil weten. ‘Oh, gewoon voor mezelf. Ik ben daar benieuwd naar,’ zegt ze. Omdat ik niet inzie wat ze met deze informatie wil bereiken, zeg ik dat de schutter duidelijk geen rapper was en dat ze internet maar moet raadplegen als ze zich graag in Amsterdamse hiphop wil verdiepen. Na ook nog een plattegrond te hebben geschetst van De Duivel met mijn gebrekkige tekentalent, mag ik weg.

 

Ik val flauw

Een week later vertel ik vrienden in een café luchtig over wat zich heeft afgespeeld. Je kunt er maar beter grapjes over maken. Toch wordt het deze avond pijnlijk ­duidelijk dat het langer duurt voor een gebeurtenis als deze slijt. Een ober laat naast mij zijn dienblad vallen. Ik schrik heftiger dan normaal, loop het café uit en midden op straat val ik flauw. Vriendinnen proberen me bij bewustzijn te krijgen, zonder succes.

In de ambulance ontwaak ik, zie de bedrading aan mijn lichaam en barst in
huilen uit. Een posttraumatische reactie, zoals dat in vaktermen heet. Wanneer mijn hartslag weer op orde is, word ik door de ambulance naar huis gebracht. Ik wacht nog steeds op de rekening die ongetwijfeld ook voor een posttraumatische reactie zal zorgen.

 

Dit artikel is geplaatst in Nieuws.

Geef een reactie