Artiesten zonder bedrijf of merknaam worden vaak zeurende schnabbelaars. Dries Roelvink blijft lachen, maar ook hij moet uitkijken dat hij niet ten onder gaat in het braderiecircuit. De blonde Amsterdammer opende afgelopen week de beurs en verklapte dat hij tijdens 9/11 een miljoen gulden had verloren en nu tot zijn 65ste moet doortijgeren. De gebruinde liedjesvertolker met de geblondeerde coupe zong de beursbengels toe met zijn hitje: ‘Geen crisis, waar Dries is.’ Goed bedacht, maar niet meer dan een tijdelijk geintje. Roelvink is het voorbeeld van een B-ster die het moet hebben van opportunistische buitenkansjes. Hij acteerde in een reallifesoap, maakte een film, speelde zichzelf in series, maar een grote hit scoorde hij zelden. Ja, een door GeenStijl gepusht nummer haalde eens de top tien, maar zijn succes was nooit substantieel. Hij is de nachtmerrie voor elke BN’er.
Handige jongens passen zich aan en schuiven langzaam de coulissen in als producer. Paul de Leeuw heeft inmiddels een eigen tv-productiebedrijf, Reinout Oerlemans transformeerde van een soapster in een zakenman die nu de ruimte heeft om zichzelf her uit te vinden als baardige regisseur. Zelfs Jort Kelder BV werkt aan een toekomst achter de schermen, hoorde Graaimeter. De slimste sterspelers worden uiteindelijk ondernemende coaches die anderen het werk laten doen. Henry Ford werd pas miljardair, nadat hij de lopende band uitvond en anderen auto’s liet produceren. Veel artiesten blijven te lang in de fabriek staan. Op den duur zijn ze te duur, te oud of te verzuurd. Roelvink heeft bovendien een Wilders-probleem. Net als het politieke blondje is hij een charmante hofnar, maar durven de opinieleiders zich niet met hem associëren. In elke ster schuilt uiteindelijk een Bassie.











Maar is het niet zo dat Dries wel op het punt staan door te breken? Zie die beste man zoveel in het nieuws, hij moet toch ergens komen jaar doorbreken?