Archief: Het IJscarnaval

Of it nu oan giet of niet; wij zitten helemaal in de Elfstedensfeer. Overigens niet alleen in 2012. Door de jaren heen heeft Nieuwe Revu zich krom geschreven over de Tocht Der Tochten. En als zelfs op Marktplaats deze verhalen mensen rijk maken, dan moeten dat toch pareltjes zijn. Daarom plaatsen wij deze week een aantal van die verhalen van toen op Revu.nl

We trappen af met het jaar 1985. Tijdens de dertiende Elfstedentocht kwam Evert van Benthem als eerste over de finish. Revu besteedde vrijwel het volledige tiende nummer aan de schaatstocht. Eén van de verhalen droeg de titel ‘Het IJscarnaval’. Een sfeerreportage over het wel en wee rond de Elfstedentocht met een gastrolletje voor Johan Vlemmix. Lees nu het volledige artikel.

Het IJscarnaval

Vijftien centimeter ijs, dat bleek uiteindelijk voldoende om in Friesland en omstreken historie te schrijven.

We hadden natuurlijk allemaal méér verwacht. Drama of iets van dien aard. Maar welke aanknopingspunten bestonden er feitelijk voor zulke verwachtingen? De Elfstedentocht was ten slotte zoiets als een familielid dat je tweeëntwintig jaar geleden voor het laatst gezien hebt. Je kon dus alleen maar raden hoe hij er tegenwoordig zou uitzien.
In afwachting van het gebeuren, dat zonder twijfel weer op het laatste moment zou worden afgelast, bladerden we nog wat in het fotoalbum van onze collectieve herinnering. Barbaarse sneeuwstormen bliezen ons in het gelaat. Snerpende poolwinden, gruwelijke ontberingen, gebroken schaatsijzers, oersterke boerezoons, bevroren oogleden, geamputeerde tenen, hartverscheurende valpartijen, gediskwalificeerde winnaars, waanzinnig geworden toeschouwers. En dat bleek allemaal ouwe koek.
Vijftien centimeter ijs, meer was absoluut niet nodig. En hoe mooi paste dat eigenhik in de tijdgeest van de jaren ‘80! Soberheid, no-nonsens. Schaatsen van Leeuwarden naar Leeuwarden en verder geen poespas.
Dat was 21 februari 1985, het voorjaar hing al in de lucht. En toch een historische dag. Al was het alleen al omdat we ons nooit meer hoeven af te vragen of er nog een Elfstedentocht komt — we hebben hem gehad!
Een Franeker hotel, half drie ‘s nachts. Een bejaarde Fries maakt niet zonder moeite zijn blik los van zijn likeurglas, schraapt zijn keel en verkondigt dat nog nooit een Elfstedentocht werd verreden zonder dat de weersomstandigheden een drastische wijziging ondergingen. “Dat is het lot van de Elfstedenrijders,” concludeert hij filosofisch. En buiten, boven het parkoers, neemt de mist de dichtheid aan van Bulgaarse yoghurt. In de hieropvolgende uren zal deze sluier echter weer even snel vervluchtigen tot een onschuldige nevel en daarmee is één kans op drama verkeken. Aan het zwarte ijs van de Zwette in Leeuwarden drommen vanaf vijf uur de toeschouwers samen. De zoeklichten van de NOS priemen door het stikdonker. Tussen het publiek de politici Lubbers, Wiegel en Van der Reijden en voorzitter Sipkema, die dankzij de winter van ‘85 in roem voor niemand meer hoeft onder te doen.
Wiegel — dikke trui onder een blauw pak, geen overjas — kijkt vergenoegd om zich heen. “Wat zijn we allemaal lekker vroeg op,” stelt hij blij vast. “Hebben we allemaal lekker geslapen? U, meneer Sipkema?”
”Oh ja hoor, prima,” antwoordt deze.

Wegspurten alsof het om een kortebaanwedstrijd gaatOm één minuut voor half zes heft de massa het beproefde “Olé, oléhee” aan. Het lijkt alsof men telepathisch is verbonden met de Frieslandhal, waar op dat moment voor de rijders de hekken wijken. De postduiven zijn gelost.
Lubbers signaleert: “Vroeger was er bij Elfstedentochten bij de start nooit zoveel publiek, meen ik me te herinneren.” En Sipkema geeft hem gelijk.
Dan barst een letterlijk oorverdovend gejuich los. De eerste rijders komen aangestormd. In vliegende vaart worden sportschoenen verwisseld voor noren. Weldra zingen de eerste ijzers over het ijs. De koplopers spurten weg met een snelheid alsof het om een kortebaan- wedstrijd gaat. Schoenen blijven onbeheerd op het ijs achter. De toejuichingen moeten tot in Sneek te horen zijn. Daar weten ze dus wat eraan zit te komen. De Le Mans-start is zonder incidenten verlopen. Weer een kans op drama verkeken.

De wedstrijd voltrekt zich met een ijzeren logica. De snelsten rijden voorop. In Bolsward zijn dat er nog een stuk of zestig, in Franeker twaalf, in Dokkum vier en op de Bonkevaart in Leeuwarden telt er tenslotte nog maar één: Evert van Benthem.
Zes uur en drie kwartier schaatsen door een Fries landschap waarin alleen de dichtgevroren sloten en vaarten aan winter doen denken. Marathoschaatsen voor getrainde en geprofessionaliseerde rijders, zoals dat vandaag aan de dag schering en inslag is. Is dat het nieuwe gezicht van de Elfstedentocht: een krachtmeting als vele andere? De miljoenen in den lande, die aan een futloos TV-verslag zijn overgeleverd, bekruipt een gevoel van ontgoocheling. De vier koplopers zijn bij Bartiehiem de Ee opgedraaid om in Dokkum hun voorlaatste stempeltje te halen. Wanneer ze het stadje weer verlaten missen we het drama op een haar na. Een bouwvallige Citroën Dyane vai sloperij Vink in Suurhuisterveen, komt luid toeterend het ijs op Het misbaar van de politie ma niet baten, het wrak hobbelt dwars over de piste. De kopgroep moet opzij zwenken om een aanrijding te vermijden, maar dat volbrengt ze dan ook.

Een spannende finish, maar niet bloedstollender dan een etappe in de Tour
Zeventien minuten over twaalf in de Dokkumer stempeltent. Controleur H. v.d. Veen informeert wie er gewonnen heeft. Van Benthem? Die kleine in dat blauwe pak? “Die heb ik gestempeld,” stelt hij tevreden vast. “Hij vroeg alleen hoe ver het nog was.” Ondertussen stempelt hij een toerrijder, die met de laconieke woorden tot volgend jaar maar weer verder schaatst.
Het was een spannende finish, Zondermeer, maar al met al toch niet bloedstollender dan een gemiddelde etappe in de Tour de France.
De nieuwe Reinier Paping heet dus Evert van Benthem. ‘t Is Wennen, maar het accent is gelukkig even zangerig gebleven. De overwinning kwam hem toe. Hij was niet alleen de rapste van de vier, maar ook de onbekendste. Hij molk bovendien zijn eigen koeien en was afkomstig uit een gehucht waar alleen de inwoners ooit gehoord van hadden. Dat lijkt tenminste ergens op.
Een sfeer als bij een vredesdemonstratie, ongedwongen en opgewekt. Op straat in Leeuwarden komt zomaar iemand met een verklaring op de proppen waarom uitgerekend in 1985 weer een Elfstedentocht mogelijk werd. Het zit ‘m in de crisis.

Een volgende Elfstedentocht op veertien centimeter ijs?
”Veel fabrieken die warm water op de vaarten en kanalen loosden liggen momenteel stil. De meeste tochten zijn ook gehouden in de oorlog, toen er van industrie bijna geen sprake was. Nu hangt de vlag er weer zo bij.”
Maar het ging niet alleen om die vijftien centimeter ijs. Het ging misschien nog wel meer om de discipline die ons volk kan opbrengen.
De organisatoren vreesden een toeloop waartegen geen enkele ijsvloer bestand zou zijn. De één voorspelde een half miljoen toeschouwers, de volgende dus een heel miljoen. En om die in het gareel te houden zou Friesland welhaast in een politiestaat moeten veranderen.
Ook dat vooruitzicht opende perspectieven. Razzia’s aan de provinciale grenzen. Ambulances die met hartpatiënten en zwangere vrouwen in het verkeer blijven steken. Een peloton ME om de Bonkevaart schoon te vegen. Duizend man in één wak — een geheid nummer voor De eerste de beste. Kortom, waardige nieuwe verschrikkingen in de traditie van verschrikkingen. Drama. Dus niet.
De volgende Elfstedentocht kan misschien wel op veertien centimeter. Zou dat niet historisch zijn? Een geweldig stuk Friesland promotie!
Kwart voor acht ‘s ochtends. Harlingen maakt zich op voor het evenement. Onder doodse stilte worden strobalen opgestapeld. Passanten bezondigen zich aan goedbedoelde maar nutteloze suggesties.

Het is niet de wedstrijd, maar de toertocht die zal voortleven
Over het spoor en de snelweg wordt een schitterend oranje tapijt uitgerold. Er zal öp welhaast koninklijke wijze gekluund worden.
Tussen de fourage (1500 liter chocolademelk, 2000 liter snert, 4000 halve worsten en 3000 broodjes) ligt een paar schaatsen voor de plaatselijke favoriet Jos Niesten. Voor het geval er iets misgaat met kluunen. Tussen negen uur en half tien wordt de stilte in Harlingen alleen verstoord door de ijsmachine en de transsistorradio’s. Laatkomers constateren zwijgend dat de beste plekken langs het parkoers vergeven zijn. Als de eerste helicopter boven de stad geparkeerd wordt, breekt het geroezemoes open. “Ze komen.” “Komen ze?” “Ze kunnen elk moment komen!” Een golf van geklap en geschreéuw komt naderbij. Daar zijn ze en daar gaan ze weer, In twee minuten is het gebeurd. Maar de echte zôrg van de Harlingers gaat niet uit naar de wedstrijd. Honderd keer belangrijker vinden ze dat de tocht goed verloopt. Dat het ijs er goed bijligt, dat de EHBO perfect zijn werk doet, dat koeken en drank voor het grijpen zijn. “Zijn die koeken gratis?” “Natuurlijk.” “Bedankt, lekker, Jezus Christus, jullie redden m’n leven.”
Maar de stemming blijft lauw en een wedstrijdrijder kankert: “Lekkere koeken hebben jullie, maar sjacherijnig dat jullie zijn.”
Het echte feest barst in Harlingen pas om een uur of drie los. Men heeft dan de TV-beelden uit Franeker tot zich genomen en beseft dat men niet bij de nabuurstad mag achterblijven.
Ja, Franeker. Zoals de vorige Elfstedentocht die van Bartlehiem was, zo is deze van Franeker.
Je moet je eens indenken: de ochtend verstrijkt, de wedstrijd verloopt gladjes, het ziet er naar uit dat het ijs het onder het water nog geruime tijd zal houden Friesland realiseert zich dat het allemaal wat mager is voor een historische gebeurtenis. Spontaan wordt een laatste redmiddel gevonden en aangegrepen: het volksfeest.
In Franeker is de omslag nauwkeurig te bepalen: tussen tien uur en half elf.
Eerst passeren de wedstrijdrijders en moppert baancommissaris De Boer nog: “Er is geen bând meer. Vroeger lééfde de wedstrijd. De bakker van de hoek reed mee, en de timmerman ook. IJzersterke jongens die het van hun doorzettingsvermogen moesten hebben. Nu zijn het sportlui, die stuk voor stuk de tocht op hun sloffen uitrijden. De vraag is alleen wie het snelste is, dat spreekt de mensen niet zo aan.”
Een veelgehoorde klacht: de Elfstedentocht is verwaterd doordat jullie Hollanders er zich van hebben meester gemaakt. Bijna woordelijk wat in het zuiden van het carnaval wordt gezegd. Des te merkwaardiger dat de Elfstedentocht een carnavalesk karakter aanneemt.
Om half elf betreedt de hof kapel van de plaatselijke carnavalsvereniging De Sterrekiekers het Franeker ijs en met blaasmuziek, die rechtstreeks uit Brabant geïmporteerd moet zijn, wordt eindelijk de toon gezet. De TV bombardeert Franeker tot feeststad en binnen een uur staan er zo’n twintigduizend Friezen in de stad. Er wordt gezongen en gedanst. Franeker ontpopt zich als een mentaal oplaadstation voor vermoeide toerrijders. Hier passeren alleen nog maar winnaars. Duizenden. Burgemeester Hartkamp dirigeert de kapel, politiemensen maken een dansje. Jawel, onvergetelijk!
Ook in Bartlehiem is het ondertussen circus. Hoe later het wordt, hoe uitbundiger de sfeer. Ook hier is iedereen kampioen. Het olé, oléhee wordt vermengd met we zijn er bijna. Elke schaatser die de aanmoedigingen beantwoordt met het opheffen van de armen of een wilde strijdkreet, kan op een extra harde toegift rekenen. Wanneer iemand valt stijgt een ontzet 666h op en wanneer hij weer overeind krabbelt een bemoedigend jâââ.
Féést, dat is het beeld van de Elfstedentocht 1985. Deze keer is het niet de wedstrijd, maar de toertocht die in de herinnering zal voortleven. En dat bewijst dan het gelijk van het Elfsteden-bestuur: toertocht en wedstrijd zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De eerste telaatkomer huilt tranen met tuiten, diepe ellende
Sneek, 22 kilometer van de start. Hier stapt tegen twaalven de eerste uitvaller van het ijs:
Jan Hoekstra uit Utrecht, startnummer 16810. Zijn voeten zijn één grote blaar en het moet wel leuk blijven. Hij vraagt zich af waar het station is én hoe hij daar moet komen, want de schoenen liggen in Leeuwarden. Nadat hij zijn schaatsen heeft uitgetrokken schuifelt hij weg, voetje voor voetje op wat een uur geleden nog witte sokken waren. Teleurgesteld? “Ik wilde Sneek halen en ik heb Sneek gehaald,” mompelt hij.
Rond negen uur (‘s avonds dus) komt hier de laatste man binnen: Johan Vlemmix uit Eindhoven, verkoper van atoomschuilkelders. Hij voorspelt dat hij op zijn hockeyschaatsen nog zeker honderd kilometer zal halen, hoewel, het is tien jaar geleden dat hij voor het laatst op de de schaats stond. Scheutig deelt hij handtekeningen uit.

Harlingen, kwart over zes plus dertig seconden. Een besnorde en afgetobde man gooit zijn kaart in het stempelhok. “Gesloten,” zegt de stempelaar. “Gelul,” vindt de deelnemer.
“Nee echt, we hebben opdracht om te stoppen en bovendien: ze hebben onze stempels meegenomen.”
Voordat de schaatser kans krijgt een moord te begaan, sleept Joop Daalmeijer hem voor de NOS-camera en -microfoon voor een kort commentaar: “Gelul!” Roderick van Wijk was net even eerder doorgekomen, de laatste met het rode stempel Harlingen. Hij twijfelt, vraagt een journalist om advies: “Wat denk je, zal ik doorgaan?”
De verslaggever aarzelt, durft de verantwoordelijkheid niet aan. “Verderop is het ijs vreselijk slecht. Veel water en kluunen, weet je wel. Hoe ging het tot nu toe?”
“Nou, over de laatste drie kilometer heb ik drie uur gedaan.” Arme Van Wijk. Voor de komende vijftien kilometer tot Franeker resten hem slechts veertig minuten. Hij besluit wijselijk de trein te nemen.
In Franeker wordt de controlepost inderdaad om zeven uur gesloten. Antoon Vervoort uit Odiliapeel (Brabant natuurlijk) passeert als laatste en krijgt van de burgemeester de medaille van de stad omgehangen. Hij is om half negen van start gegaan en zet de tocht voort.
De volgende, de eerste telaatkomer, huilt tranen met tuiten, diepe ellende. De controleur verschaft hem stiekem een stempeltje, zodat de voortgang van zijn lijden voorlopig gewaarborgd is. “Anders had ik vannacht niet kunnen slapen,” verzucht de controleur.
Bartlehiem, half tien. De rayon- leider sluit het traject voor rijders uit de richting Franeker. Een groepje van vijf stuit op een onverbiddelijk nee. Wat zuur bemerken ze later dat ze de allerlaatsten waren die uit die richting aankwamen.
Het feest gaat ondertussen door. Zelfs hier verschijnt nu een band. Het zal nog geruime tijd duren voordat Bartlehiem weer is gereduceerd tot een handvol huizen en boerderijen, waar de stilte regeert.
Het Friese volkslied wordt aangeheven. Een politieman op het ijs fungeert als koordirigent. De rijders, die vanuit Dokkum nog un een gestage stroom komen aanrijden, bespeuren het plechtige van dit moment. Ze zijn niet zo uitgeput, of ze rechten de rug.
En het ijs wordt slechter. Er vallen gaten. Er vallen deelnemers. In Dokkum verlopen de laatste minuten chaotisch. Eerst was elf uur het fatale tijdstip, dan wordt er opeens tien uur van gemaakt. Wakken in de Dokkummer Ee. Rijders tegen elkaar aangeknald. Volgens de politie werd het levensgevaarlijk.
Tien uur dus. “Heb ik goddomme al 180 kilometer gereden, heb ik de laatste negen kilometer keihard doorgereden, ben ik om tien uur hier en dan mag ik niet verder.” Tranen biggelen over besmeurde wangen. Er wordt gevloekt, gescholden, getierd en gesmeekt. Dan het verrassende besluit: de aankomers van tien uur mogen op eigen risico verder.
Een groepje van vier man, met in zijn midden de latere glorieuze winnaar, kwam in Dokkum als eerste door en nu is het een groepje van vier dat als laatste vertrekt. Het is uitgesloten dat ze voor twaalf uur in Leeuwarden zijn. Toch een beetje drama dus, een treffend contrast op een dag die zo’n weergaloze ijspret bracht.
Het was fantastisch. Ze moeten zoiets nog eens organiseren. Maar om het een beetje exclusief te houden wel pas over tweeëntwintig jaar natuurlijk.

Dit artikel is geplaatst in Uit het archief met de volgende tags .